Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

19 Invordering

1.1 Inleiding

Het toeslagensysteem werkt met voorschotten en daardoor kunnen er terugvorderingen ontstaan. Zodra is vastgesteld hoeveel er terugbetaald moet worden, gaat Toeslagen over tot invordering. Dit is het proces om het bedrag terug te krijgen. Binnen dit proces bestaan verschillende mogelijkheden voor de aanvrager. Zo kan hij de terugvordering in één keer voldoen of in termijnen. Hiernaast moet Toeslagen bij het invorderingsproces rekening houden met allerlei regels. Die bespreken we in dit hoofdstuk. Net als de mogelijkheden die Toeslagen heeft als iemand de terugvordering niet betaalt.

In dit hoofdstuk

We bespreken eerst wie de invordering uitvoert namens Toeslagen (paragraaf 1.2) en binnen welke termijn de terugvordering betaald moet worden (paragraaf 1.3). Daarna komen de betalingsregelingen aan bod en het uitstel van betaling (paragraaf 1.4), onder andere om betaling in termijnen via een betalingsregeling mogelijk te maken (paragraaf 1.4.1). Vervolgens gaan we in op de optie van verrekening (paragraaf 1.5). Verder komen de mogelijkheden die Toeslagen heeft wanneer iemand niet betaalt aan bod (paragraaf 1.6). Tot slot bespreken we de invloed van faillissement en schuldsanering op de invordering (paragraaf 1.7) en verjaring van de terugvordering (paragraaf 1.8).

Afkortingen en begrippen

In het hoofdstuk ‘Afkortingen en begrippen’ staat een afkortingen- en begrippenlijst. Hierin staan alle in het Handboek gebruikte afkortingen. Ook worden veel begrippen toegelicht. Kijk daar dus als een afkorting of begrip onbekend of onduidelijk is.

1.2 Uitvoering invordering

Voor het invorderen van een toeslagschuld is door Toeslagen mandaat verleend aan de Belastingdienst, specifiek aan Belastingdienst/Particulieren, Belastingdienst/Midden- en kleinbedrijf en Belastingdienst/Centrale administratieve processen (B/CAP) (artikel 8 van het Besluit mandaatverlening, volmacht en machtiging Dienst Toeslagen 2024 en artikel 3, eerste lid, onderdeel a, eerste en tweede streepje en onderdeel c, van de UR Belastingdienst 2003). De Belastingdienst (in dit kader ook wel ‘ontvanger’) treedt dan op als het bestuursorgaan Toeslagen.

De werkzaamheden van de ontvanger voor terugvorderingen belastingenaanslagen van particulieren en kleine ondernemers zijn belegd bij het Landelijk Incasso Centrum (LIC). Het LIC is onderdeel van CAP. Ook terugvorderingen van toeslagen vinden veelal plaats binnen het LIC. Dit gebeurt dan dus in naam van het bestuursorgaan Toeslagen.

1.2.1 Wettelijk kader

De voornaamste wetten en wetsartikelen over het innen van toeslagschulden zijn:

Let op!  Let op

We verwijzen in dit hoofdstuk regelmatig naar de hierboven genoemde Leidraad Invordering. Hierin staat namelijk een gedetailleerde invulling van het invorderingsproces. De Leidraad is echter geen wet, maar beleid. Dit betekent dat er (met een zorgvuldige afweging van belangen) ook van afgeweken kan worden

1.3 Betalingstermijn

Het bedrag van een terugvordering moet binnen 6 weken na de dagtekening van de terugvorderingsbeschikking betaald worden (artikel 28, eerste lid, van de Awir). Hetzelfde geldt voor de rente die bij de terugvordering wordt opgeteld, de heffingsrente. Lees meer over die rente in paragraaf 1.4.1 van het hoofdstuk ‘Terugvordering’. Krijgt iemand een betalingsregeling dan krijgt hij uitstel van betaling, en mag hij na de termijn van 6 weken terugbetalen. Lees hierover in paragraaf 1.4.

De Algemene termijnenwet (Atw) is niet van toepassing op de betalingstermijn (artikel 28, derde lid, van de Awir). Dit betekent dat de termijn niet wordt verlengd wanneer die op een zaterdag, zondag of algemeen erkende feestdag eindigt (zie artikel 1, eerste lid, van de Atw).

Iemand die buiten de termijn van 6 weken terugbetaalt, moet invorderingsrente betalen. Lees daarover in paragraaf 1.6.4.

1.3.1 Versnelde invordering

In specifieke situaties geldt de betalingstermijn van 6 weken niet en moet de belanghebbende het bedrag direct en in één keer betalen. Dit wordt ook wel versnelde invordering genoemd. De belanghebbende is dan verplicht om het bedrag van een terugvordering “terstond en tot het volle bedrag te betalen” aan Toeslagen (artikel 31a van de Awir).

Versnelde invordering kan alleen in bepaalde situaties die zijn opgesomd in artikel 31a van de Awir. Dit is onder andere wanneer de belanghebbende failliet is verklaard, buiten Nederland gaat wonen of geen vaste woonplaats heeft en aannemelijk is dat de terugvordering daardoor niet geïnd kan worden, of een schuldsaneringsregeling van toepassing is. Artikelen 10.1 tot en met 10.7 van de Leidraad Invordering geven meer regels over versnelde invordering.

Als Toeslagen versneld wil invorderen, dan moet dat schriftelijk meegedeeld worden samen met de reden voor de versnelde invordering (op de terugvorderingsbeschikking of een latere aparte beschikking). Als de feiten en omstandigheden wijzigen en er geen aanleiding meer is om versneld in te vorderen, blijft de terugvordering geheel opeisbaar. Wel krijgt de belanghebbende dan altijd uitstel van betaling wanneer hij daarom verzoekt. De normale betalingstermijn geldt dan weer (artikel 79.17 en 10.1 van de Leidraad Invordering).

1.4 Uitstel van betaling

Een belanghebbende kan in bepaalde situaties uitstel van betaling krijgen. Hij mag de terugvordering dan na de betalingstermijn van 6 weken betalen.

Let op!  Let op

Tijdens het uitstel van betaling loopt wel het tijdvak waarover invorderingsrente betaald moet worden door. Lees over die rente meer in paragraaf 1.6.4

In artikel 31 van de Awir staat dat bij ministeriële regeling regels gesteld worden over het verlenen van uitstel van betaling. Die regeling is de UR Awir. Volgens de UR Awir kan uitstel van betaling verleend worden vanwege:

1.4.1 Uitstel vanwege betalingsproblemen: betalingsregeling

Bij betalingsproblemen kan iemand op grond van artikel 7 van de UR Awir uitstel van betaling krijgen om de terugvordering in termijnen af te lossen. Om in termijnen te betalen bestaan er twee verschillende betalingsregelingen:

  • de standaardbetalingsregeling, ook wel Centrale Betalingsregeling Toeslagen (CBT) genoemd: paragraaf 1.4.1.1
  • de betalingsregeling op basis van betalingscapaciteit, ook wel persoonlijke betalingsregeling of betalingsregeling op maat genoemd: paragraaf 1.4.1.2

1.4.1.1 Standaardbetalingsregeling

Binnen de standaardbetalingsregeling lost de belanghebbende de terugvordering af door maandelijks een termijnbedrag over te maken. De standaardbetalingsregeling is een betalingsregeling die automatisch aan een belanghebbende wordt aangeboden. De belanghebbende hoeft deze dus niet aan te vragen (artikel 79.7 van de Leidraad Invordering). In de terugvorderingsbeschikking wordt uitleg gegeven over de mogelijkheid om de te veel ontvangen toeslag met een betalingsregeling in delen terug te betalen.

Wanneer de belanghebbende het terugvorderingsbedrag niet in één keer binnen de betalingstermijn van 6 weken kan of wil betalen, kan hij zelf de standaardbetalingsregeling in gang zetten door binnen 6 weken een eerste termijn te betalen. De termijn van 6 weken is gebaseerd op de uiterste betaaltermijn. Het bedrag van de eerste termijn is minimaal 1/24e van het terugvorderingsbedrag. Dit komt doordat de standaardbetalingsregeling voor maximaal 24 maanden geldt.

Binnen de standaardbetalingsregeling moet in maandelijkse termijnen van minimaal € 20 worden betaald (artikel 7, eerste lid, van de UR Awir). Als het terugvorderingsbedrag minder is dan € 480 dan duurt de standaardbetalingsregeling zo lang als nodig is om met termijnbedragen van € 20 terug te betalen. De betalingsregeling loopt maximaal 24 maanden. Het eerste termijnbedrag moet vóór de uiterste betaaldatum zijn betaald (artikel 79.7 van de Leidraad Invordering).

Als het terugvorderingsbedrag niet binnen 24 maanden terugbetaald kan worden met betalingen van minimaal € 20 per maand, moet een hoger bedrag per maand betaald worden (artikel 7, derde lid, van de UR Awir). Dit is dus het geval wanneer het terugvorderingsbedrag groter is dan € 480 (24 x € 20). Het minimale maandbedrag is dan het terugvorderingsbedrag gedeeld door 24. De belanghebbende mag ook een hoger bedrag per maand betalen of een extra bedrag aflossen om de terugvordering sneller te voldoen. Op die manier wordt het minimale maandbedrag voor de resterende maanden ook lager. We geven hiervan een voorbeeld:

Tip!  Voorbeeld

A moet € 6.000 terugbetalen. Dit kan in 24 maanden met een minimaal maandbedrag van € 250. A betaalt dit bedrag per maand in de eerste 11 maanden. A heeft daarna wat extra geld en betaald in de 12e maand € 850. A heeft dan in totaal € 3.600 terugbetaald en heeft nog € 2.400 in de resterende 12 maanden te gaan. Het minimale maandbedrag voor die maanden is dan € 200 (€ 2.400 / 12).

Wanneer het minimale maandbedrag geen rond bedrag is, dan wordt het maandbedrag omhoog afgerond en wordt in de laatste maand een lager bedrag betaald.

Tip!  Voorbeeld

B moet € 933 terugbetalen. Het minimale maandbedrag is € 38,875 (€ 933 / 24). B moet dan de eerste 23 maanden € 39 betalen en in de laatste (24e) maand het resterende bedrag van € 36. 

Is het terugvorderingsbedrag lager dan € 480 (24 x € 20), dan heeft de standaardbetalingsregeling een kortere doorlooptijd. Er moet namelijk altijd minimaal € 20 per maand betaald worden (artikel 7, eerste lid, van de UR Awir).

Tip!  Voorbeeld

C moet € 360 terugbetalen. C betaalt met de standaardbetalingsregeling dan € 20 per maand in 18 maanden (€ 360 / € 20) terug. 

Afhankelijk van het bedrag kan het te betalen bedrag in de laatste maand lager zijn dan is betaald in de voorgaande maanden.

Tip!  Voorbeeld

D moet € 373 terugbetalen. Dit kan in maximaal 18,65 maanden (€ 373 / € 20). De betalingsregeling loopt voor D dan maximaal 19 maanden door. In de eerste 18 maanden moet D minimaal € 20 betalen en in de laatste (19e) maand het resterende bedrag van € 13.

Als de belanghebbende na de behandeling van een bezwaarschrift (een deel van) de terugvordering moet terugbetalen, dan wordt een standaardbetalingsregeling aangeboden voor de maanden die nog resteren tot 24 maanden, na de uiterste betaaldatum van de terugvordering, zijn verstreken. De belanghebbende kan nog in aanmerking komen voor een standaardbetalingsregeling voor de volledige 24 maanden, zie daarvoor paragraaf 1.4.1.3.

Wanneer de belanghebbende binnen de betaaltermijn van 6 weken niet het volledige terugvorderingsbedrag betaalt of minimaal 1/24e daarvan (en daarmee de standaardbetalingsregeling in gang zet) en ook geen persoonlijke betalingsregeling aanvraagt of uitstel van betaling krijgt in verband met de behandeling van een bezwaar of beroepschrift (zie paragraaf 1.4.2), kan Toeslagen het bedrag terugkrijgen door het te verrekenen met een lopend voorschot. Hierover meer in de volgende paragraaf. Heeft de belanghebbende geen (of onvoldoende) lopende voorschotten, dan onderneemt Toeslagen andere acties om het bedrag te innen. Daarover meer in paragrafen 1.5 en 1.6.

1.4.1.1.1 Meerdere terugvorderingen

De situatie kan zich voordoen dat de belanghebbende tijdens de looptijd van een standaardbetalingsregeling te maken krijgt met een nieuwe terugvordering. Er wordt dan een afzonderlijke standaardbetalingsregeling aangeboden voor de nieuwe terugvordering. Op verzoek van de belanghebbende kunnen deze afzonderlijke standaardbetalingsregelingen worden gebundeld tot een gezamenlijke standaardbetalingsregeling (artikel 79.7 van de Leidraad Invordering).

We geven hiervan een voorbeeld:

Tip!  Voorbeeld

A heeft een standaardbetalingsregeling voor een terugvordering van € 600 voor de huurtoeslag. A moet hiervoor 24 maanden lang € 25 per maand betalen. Gedurende die termijn krijgt A een nieuwe terugvordering van € 80 voor de zorgtoeslag. Hiervoor geldt een regeling van € 20 per maand voor 4 maanden. Gedurende die 4 maanden moet A twee aparte betalingen doen: € 25 voor de reeds lopende regeling van 24 maanden en € 20 voor de nieuwe regeling van 4 maanden.  

De belanghebbende kan wel verzoeken om de betalingsregelingen te combineren. De maandbedragen van de afzonderlijke regelingen worden dan bij elkaar opgeteld tot één hoger totaal maandbedrag. Het minimum maandbedrag van € 20 blijft per terugvordering gelden. Bij bijvoorbeeld drie terugvorderingen is het minimaal te betalen maandbedrag dus € 60.

Tip!  Voorbeeld

B ontvangt tegelijkertijd drie terugvorderingen voor de kinderopvangtoeslag, huurtoeslag en zorgtoeslag. B start voor alle drie tegelijk met een betalingsregeling: - één van 24 maanden voor € 50 per maand - één van 20 maanden voor € 20 per maand - één van 16 maanden voor € 20 per maand. B verzoekt om deze regelingen te combineren. B betaalt dan: - de eerste 16 maanden € 90 per maand (€ 50 + € 20 + € 20) - de volgende 4 maanden € 70 per maand (€ 50 + € 20) - de laatste 4 maanden € 50 per maand

1.4.1.1.2 Bezwaar tegen standaardbetalingsregeling

Als belanghebbende de eerste maandbetaling binnen de eerste betalingstermijn heeft overgemaakt is de betalingsregeling gestart. Belanghebbende wordt hierover per brief geïnformeerd. In deze brief is het maandbedrag vermeld en wat belanghebbende moet doen als hij het maandbedrag niet kan betalen. Ook wordt er melding gemaakt van het in rekening brengen van (invorderings)rente. Deze brief is voor bezwaar vatbaar.

Let op!  Let op

Beëindiging van een betalingsregeling is eveneens een voor bezwaar vatbaar besluit. Door de beëindiging van de betalingsregeling komt het uitstel van betaling te vervallen. Daarmee herleeft de betalingsverplichting en wordt de invordering gestart of hervat. Dit kan ook leiden tot kosten (zoals aanmaningskosten en andere vervolgingskosten De invorderingsrente loopt gewoon door. De Afdeling oordeelde om deze redenen dat de beëindiging van een betalingsregeling een besluit is waartegen bezwaar en beroep mogelijk is (ECLI:NL:RVS:2019:2889, rechtsoverweging 5.3). 

Er kan bezwaar gemaakt worden tegen de terugvorderingsbeschikking en de hoogte van de toeslag. Wanneer er bezwaar wordt gemaakt tegen een terugvorderingsbeschikking wordt het bezwaar vaak ook beschouwd als een bezwaar tegen de herziene voorschotbeschikking of (herziene) definitieve beschikking. Lees hierover meer in paragraaf 1.2.2.4 van het hoofdstuk ‘Bezwaar’. Lees meer over bezwaren tegen terugvorderingsbrieven in Bijlage 1 van het hoofdstuk ‘Awb’).

Tijdens de bezwaarprocedure heeft de belanghebbende vervolgens uitstel van betaling. Lees meer over dat uitstel in paragraaf 1.4.2 en over de invloed daarvan op de standaardbetalingsregeling in paragraaf 1.4.2.2.

1.4.1.2 Persoonlijke betalingsregeling

Voor mensen die te weinig geld hebben om aan de standaardbetalingsregeling te voldoen, is een andere betalingsregeling mogelijk. Dat is een betalingsregeling gebaseerd op persoonlijke betalingscapaciteit. Deze regeling wordt ook wel de persoonlijke betalingsregeling of betalingsregeling op maat genoemd. Die regeling kan niet door de belanghebbende zelf automatisch in gang worden gezet. De belanghebbende moet schriftelijk verzoeken om een persoonlijke betalingsregeling en hij moet aan bepaalde voorwaarden voldoen.

De belanghebbende moet schriftelijk verzoeken om een betalingsregeling in termijnen gebaseerd op zijn betalingscapaciteit (artikel 7, vijfde lid, van de UR Awir). Voor de berekening van de betalingscapaciteit moeten meerdere gegevens over de financiën van de belanghebbende bekend zijn. Hij moet daarom een formulier invullen waarin om alle benodigde informatie wordt gevraagd (artikel 4:4 van de Awb en artikel 79.8 van de Leidraad Invordering). Dat formulier kan zowel fysiek als digitaal worden aangeleverd. We lichten in de volgende paragraaf toe hoe die betalingscapaciteit berekend wordt.

1.4.1.2.1 Betalingscapaciteit

Betalingscapaciteit is wat iemand maximaal kan betalen, rekening houdend met inkomen en vaste maandelijkse kosten. De berekening van de betalingscapaciteit wordt namens Toeslagen uitgevoerd door het LIC. Deze berekening vindt plaats op grond van artikel 13 van de UR IW (artikel 7, vijfde lid, van de UR Awir):

Betalingscapaciteit = gemiddeld per maand te verwachten netto-besteedbare inkomen - gemiddeld per maand te verwachten kosten van bestaan 

Het gaat om het inkomen en de kosten in de periode van 12 maanden vanaf de datum van het verzoek om de betalingsregeling (artikel 13, eerste lid, van de UR IW).

Bij het netto-besteedbare inkomen van de aanvrager wordt het netto-besteedbare inkomen van de toeslagpartner opgeteld. Wel alleen als die partner ook toeslagpartner was in het jaar waarover de terugvordering gaat (artikel 7, vijfde lid, van de UR Awir, en artikel 79.8 van de Leidraad Invordering).

We lichten de twee elementen van de betalingscapaciteit (‘netto-besteedbare inkomen’ en ‘kosten van bestaan’) in de volgende paragrafen toe. Daarna gaan we in op het ‘vermogen’, wat ook een rol speelt bij de betalingscapaciteit.

Netto-besteedbare inkomen

Het netto-besteedbare inkomen is het verschil tussen inkomsten en uitgaven (artikel 14, eerste lid, van de UR IW).

Netto-besteedbare inkomen = inkomsten - uitgaven 

Alle inkomsten en uitgaven worden bij elkaar opgeteld. Het netto-besteedbare inkomen is dus wat men overhoudt nadat alle uitgaven zijn gedaan. Het gaat hierbij om inkomsten zoals loon, uitkering, pensioen, jaarlijkse uitkeringen, zoals vakantiegeld en een 13e maand, ontvangen alimentatie en de voorlopige teruggaaf IB (artikel 14, eerste en tweede lid, van de UR IW). Er is ook een aantal inkomsten dat niet meetelt zoals kinderbijslag, toeslagen, pleegkindvergoeding en kostenvergoeding voor vrijwilligerswerk (artikel 14, eerste lid, onderdeel c, van de UR IW).

De UR IW somt op welke uitgaven in de berekening meegenomen worden. Dit zijn onder andere de netto-woonlasten (huurprijs of hypotheekrente), premie voor zorgverzekering, afbetalingen van belasting- en toeslagschulden en uitgaven voor het levensonderhoud van kinderen (artikel 15, eerste lid, van de UR IW). Het LIC heeft namens Toeslagen ruimte om andere uitgaven mee te nemen (artikel 25.5.8 van de Leidraad Invordering 2008).

Kosten van bestaan

De kosten van bestaan zijn opgesomd in artikel 16 van de UR IW. Het gaat om een wettelijk bepaald bedrag, namelijk 90% van de bijstandsnorm (waarvoor wordt verwezen naar de Participatiewet). Er wordt dus niet gekeken naar de specifieke situatie van een aanvrager. Wel verschilt het bedrag per aanvrager, afhankelijk van zijn leeftijd, relatie en of hij kosten delende medebewoners heeft. Die factoren zijn namelijk van invloed op de norm, die van toepassing is.

Een kosten delende medebewoner is iemand van 27 jaar of ouder die in dezelfde woning als de aanvrager zijn hoofdverblijf heeft (artikel 19a, eerste lid, van de Participatiewet). Uitzonderingen hierop zijn:

  • de echtgenoot van de aanvrager;
  • een (onder)huurder of kostganger waarmee de aanvrager een schriftelijke overeenkomst voor een commerciële huurprijs heeft (met uitzondering van een bloed- of aanverwant in de eerste of tweede graad van de aanvrager);
  • een (onder)huurder of kostganger die met dezelfde derde (verhuurder) als de aanvrager een schriftelijke overeenkomst heeft voor een commerciële huurprijs;
  • iemand die (onder bepaalde voorwaarden) onderwijs volgt. 

Is de aanvrager voor verzorging of verpleging in een inrichting opgenomen dan zijn de kosten van bestaan de prijs voor die verzorging/verpleging plus twee derde van de bijstandsnorm die voor hem geldt op grond van artikel 23 van de Participatiewet (artikel 16, derde lid, van de UR IW).

Vermogen

Het vermogen speelt ook een rol bij de betalingscapaciteit. Als iemand namelijk voldoende vermogen heeft om daar de terugvordering mee te voldoen, komt hij niet in aanmerking voor een persoonlijke betalingsregeling. Heeft iemand vermogen, maar niet voldoende om de schuld mee af te lossen, dan wordt het meegenomen in de berekening van de betalingscapaciteit.

Vermogen zijn de bezittingen van de aanvrager en zijn eventuele partner verminderd met hun schulden (artikel 12, eerste lid, van de UR IW). Onder bezittingen vallen echter niet zaken zoals inboedel, een auto onder een bepaalde waarde, een auto boven die waarde die onmisbaar is voor werk of vanwege invaliditeit en geld dat uit een studielening is gekregen (artikel 12, tweede lid, van de UR IW).

Heeft iemand bijvoorbeeld een auto boven de waardegrens en is deze misbaar, dan wordt verwacht dat hij deze verkoopt om daarmee de schuld (deels) af te lossen. Hetzelfde geldt voor andere bezittingen zoals bijvoorbeeld een stacaravan of motor (die niet onmisbaar is voor woon-werk verkeer).

1.4.1.2.2 Uitkomst betalingscapaciteit

Het LIC stelt, namens Toeslagen, uit coulance de betalingscapaciteit vast op 80% van de uitkomst van de berekening. De betalingscapaciteit is het bedrag dat de belanghebbende per maand moet kunnen betalen om de terugvordering te voldoen. Of hij recht heeft op een persoonlijke betalingsregeling, en zo ja, hoe die regeling eruitziet, hangt dus af van de hoogte van de betalingscapaciteit in combinatie met de hoogte van de terugvordering. We zetten de verschillende mogelijke uitkomsten op een rijtje:

BetalingscapaciteitPersoonlijke betalingsregeling
Voldoende vermogen beschikbaarAfwijzen. Een standaardbetalingsregeling wordt wel afgegeven.
Hoger dan minimale maandbedrag*Afwijzen. Een standaardbetalingsregeling wordt wel afgegeven.
Lager dan € 20, voldoende om in 24 maanden gehele terugvordering te voldoenEr wordt geen betalingsregeling afgegeven en er worden geen invorderingsmaatregelen genomen (ook wel ‘niet verder bemoeilijken’ genoemd)
Hoger dan € 20, lager dan minimale maandbedrag*Er wordt een betalingsregeling afgegeven: 24 x betalingscapaciteit, eventuele verhoging of verlaging na 12 maanden, voor restbedrag geen invorderingsmaatregelen.
Helemaal geen betalingscapaciteitEr wordt geen betalingsregeling afgegeven en er worden geen invorderingsmaatregelen genomen (ook wel ‘niet verder bemoeilijken’ genoemd)

* Zie uitleg over minimale maandbedrag in paragraaf 1.4.1.1.

We lichten de verschillende uitkomsten hieronder nader toe. In paragraaf 1.4.1.2.3 leggen we uit wat het betekent als er geen (verdere) invorderingsmaatregelen worden getroffen.

Afwijzen persoonlijke betalingsregeling

Een persoonlijke betalingsregeling wordt niet toegestaan als de belanghebbende of zijn partner over voldoende vermogen beschikt om de terugvordering mee te betalen (artikel 7, zesde lid, van de UR Awir en artikel 79.8 van de Leidraad Invordering). Lees hierboven wat onder vermogen wordt verstaan.

Het verzoek om een persoonlijke regeling wordt ook afgewezen als de betalingscapaciteit voldoende is om de toeslagenschuld af te lossen volgens de standaardbetalingsregeling (artikel 79.8 van de Leidraad Invordering). In dit geval wordt een standaardregeling verleend.

Toekennen persoonlijke betalingsregeling

Wanneer iemand in aanmerking komt voor een persoonlijke betalingsregeling, wordt een regeling getroffen voor 24 maanden op basis van de betalingscapaciteit. Is die betalingscapaciteit lager dan € 20 per maand, maar wel voldoende om in maximaal 24 maanden de schuld te voldoen, dan wordt een lager maandbedrag toegestaan gebaseerd op die capaciteit (artikel 79.8 van de Leidraad Invordering).

Beschikt de belanghebbende over betalingscapaciteit, maar onvoldoende om de schuld in 24 maanden af te lossen, dan wordt een regeling getroffen voor 24 maanden gebaseerd op de betalingscapaciteit. Deze regeling kan na 12 maanden opnieuw worden bekeken. Toeslagen kan dit uit zichzelf doen. In de praktijk is het gebruikelijk dat de belanghebbende hierom verzoekt door aan te geven dat hij niet meer aan de betalingsregeling kan voldoen. Als een vermindering (of een verbetering) van de betalingscapaciteit blijkt, wordt de regeling aangepast voor de resterende maanden (artikel 79.8 van de Leidraad Invordering).

We geven hiervan een voorbeeld:

Tip!  Voorbeeld

Y moet € 12.000 terugbetalen. Via de standaardbetalingsregeling geldt een minimaal maandbedrag van € 500. Y kan dit niet betalen en verzoekt om een persoonlijke betalingsregeling. Uit de berekening van Y’s betalingscapaciteit volgt een maandbedrag van € 200. Y krijgt daarom een regeling om 24 x € 200 terug te betalen. Gedurende de eerste 12 maanden gaat Y minder verdienen en verzoekt daarom om een aangepaste betalingsregeling voor de volgende 12 maanden. De betalingscapaciteit blijkt inderdaad lager te zijn geworden, namelijk € 150. Y moet de resterende 12 maanden dat lagere bedrag per maand aflossen. Na 24 maanden heeft Y dan € 4.200 terugbetaald. Voor de resterende € 7.800 worden geen verdere invorderingsmaatregelen getroffen (lees meer over wat dat inhoudt in paragraaf 1.4.1.2.3).

1.4.1.2.3 Geen (verdere) invorderingsmaatregelen

Wanneer de belanghebbende geen betalingscapaciteit heeft, worden er geen invorderingsmaatregelen getroffen. En wanneer hij wel capaciteit heeft, maar onvoldoende om in 24 maanden de hele terugvordering af te lossen, worden geen verdere invorderingsmaatregelen getroffen voor het overgebleven bedrag. In beide situaties deelt Toeslagen dit aan de belanghebbende mee, meteen na het verzoek om de persoonlijke betalingsregeling of na afloop van de 24 maanden (artikel 79.9 van de Leidraad Invordering). Deze mededeling wordt ook wel de beschikking ‘niet verder bemoeilijken’ genoemd.

De (resterende) schuld wordt hiermee niet kwijtgescholden. Dat mag ook niet (artikel 31bis van de Awir). De schuld blijft namelijk openstaan, maar Toeslagen vordert niet meer actief in. De schuld kan echter wel nog afnemen. Eenmalige nabetalingen van toeslagen en teruggaven Inkomstenbelasting worden namelijk gedurende 3 jaar nog verrekend. Het gaat dan om uitbetalingen die niet in maandelijkse termijnen plaatsvinden. Deze voorwaarde (van verrekenen gedurende 3 jaar) wordt in de genoemde mededeling aan de belanghebbende uitgelegd (artikel 79.9 van de Leidraad Invordering).

1.4.1.2.4 Verrekening tijdens persoonlijke betalingsregeling

Er wordt in beginsel niet verrekend met lopende voorschotten voor een terugvordering waarvoor een persoonlijke betalingsregeling loopt, maar dit is eventueel wel toegestaan (artikel 79.6 van de Leidraad Invordering).

1.4.1.3 Op welk moment kan een betalingsregeling worden gevraagd?

Met ingang van 1 januari 2026 is het mogelijk om praktisch op ieder moment in het terugvorderingsproces alsnog een betalingsregeling aan te vragen met behoud van een duur van ten hoogste 24 maanden. Dit geldt zowel voor de standaardbetalingsregeling als de persoonlijke betalingsregeling. Het gaat niet alleen om de situatie dat belanghebbende in bezwaar is gegaan. Het kan ook als men door omstandigheden niet tijdig heeft gereageerd op een terugvorderingsbeschikking. Na de beslissing tot de toekenning van de betalingsregeling zal de betalingsregeling, bedoeld in artikel 7, vierde lid, UR Awir, van start gaan voor ten hoogste 24 maanden, gerekend vanaf de dag van de dagtekening van de beschikking van Toeslagen tot toestaan van de betaling in termijnen. In de praktijk gebeurde dit ook al regelmatig. Door een aanpassing in artikel 7 van de UR Awir is deze wetsaanpassing geformaliseerd (artikel 7, vierde lid, van de UR Awir).

In de situatie voor 1 januari 2026 werd de betalingstermijn van 24 maanden verkort met bijvoorbeeld de duur van de behandeling van het bezwaar. Dat kon tot onwenselijke situaties omdat de betalingstermijn zodanig kort kan zijn dat een belanghebbende niet aan zijn betalingsverplichtingen kan voldoen.

1.4.1.4 Wanneer kan Dienst Toeslagen een verzoek om een betalingsregeling afwijzen?

Uitgangspunt is dat de belanghebbende altijd de mogelijkheid heeft om het bedrag van de terugvordering in 24 maanden terug te betalen. De mogelijkheid om later alsnog een betalingsregeling van 24 maanden aan te vragen is niet onbeperkt. Als de belanghebbende herhaalde verzoeken om een betalingsregeling indient die vervolgens niet worden nagekomen, dan kan Toeslagen besluiten helemaal geen betalingsregeling meer toe te staan (artikel 7, achtste lid, van de UR Awir).

Als de standaardbetalingsregeling niet wordt toegestaan, wordt de belanghebbende zoveel mogelijk doorverwezen naar de mogelijkheid om een persoonlijke betalingsregeling in te dienen. De beslissing om geen standaardbetalingsregeling meer toe te staan staat namelijk los van de beoordeling of men nog in aanmerking komt voor een persoonlijke betalingsregeling.

Als de belanghebbende de persoonlijke betalingsregeling meermaals niet nakomt, terwijl iemand wel over voldoende betalingscapaciteit beschikt om (een deel van) de terugvorderingsbeschikking(en) waarvoor de betalingsregeling is getroffen terug te betalen, dan kan Toeslagen ook besluiten geen persoonlijke betalingsregeling meer te verlenen. Van deze uitzonderlijke maatregel zal Toeslagen slechts in die gevallen gebruik maken waarin aan de belanghebbende meermaals een persoonlijke betalingsregeling is verleend en hij deze niet nakomt. Daarna volgt namelijk alleen nog de dwanginvordering (zie paragraaf 1.6).

Tegen de beslissing dat er geen betalingsregeling meer wordt verleend is het mogelijk om bezwaar te maken.

1.4.2 Uitstel vanwege bezwaar of herzieningsverzoek

Toeslagen kan uitstel van betaling verlenen aan belanghebbenden die tijdig en gemotiveerd de terugvordering aanvechten met een bezwaar, herzieningsverzoek op grond van artikel 21a van de Awir, beroep of hoger beroep totdat op het bezwaar, verzoek of (hoger) beroep is beslist (artikel 8, eerste lid, van de UR Awir). Een bezwaar en een herzieningsverzoek worden automatisch aangemerkt als verzoek om uitstel van betaling, een (hoger) beroep niet (artikel 79.9a van de Leidraad Invordering). Toeslagen verleent dus automatisch uitstel bij een bezwaar of herzieningsverzoek tegen de terugvordering. In de praktijk doet Toeslagen dit overigens ook bij een (hoger) beroep.

Belanghebbenden kunnen Toeslagen ook om uitstel van betaling verzoeken wanneer zij bij de inspecteur van de Belastingdienst bezwaar, beroep, hoger beroep, beroep in cassatie of een verzoek om ambtshalve vermindering hebben ingediend tegen hun inkomensgegeven dat heeft geleid tot de terugvordering (artikel 8, tweede lid, van de UR Awir). Ze hoeven dan nog niet de toeslagschuld te gaan betalen zolang ze bij de inspecteur een procedure voeren over de hoogte van het inkomen.

Toeslagen houdt de invordering van een toeslagschuld ook aan als de Belangenbehartiger voor belastingplichtigen en toeslaggerechtigden (hierna: Belangenbehartiger) een casus van de belanghebbende in behandeling heeft genomen. Toeslagen doet dit tot het moment waarop behandeling van de casus door de Belangenbehartiger definitief is afgerond (artikel 79.15 van de Leidraad Invordering).

Ook als een belanghebbende een hardheidsclausuleverzoek indient op grond van artikel 47, eerste lid, van de Awir, wordt de invordering van de toeslagschuld aangehouden (artikel 79.15 van de Leidraad Invordering).

Let op!  Let op

Uitstel van betaling kan in het nadeel van de belanghebbende zijn wanneer hij daarna nog steeds de terugvordering moet betalen. Dit komt doordat de invorderingsrente doorloopt tijdens het uitstel van betaling (zie paragraaf 1.6.4). De belanghebbende is vrij om alvast de terugvordering (in termijnen) te betalen tijdens één van de genoemde procedures. Ook wanneer Toeslagen automatisch uitstel van betaling heeft verleend. Vervalt de terugvordering toch na afloop van de procedure, dan krijgt de belanghebbende het reeds betaalde bedrag (inclusief de eventueel al betaalde rente) weer terug van Toeslagen.

1.4.2.1 Uitstel bij procedure tegen hoogte toeslag

Zoals blijkt uit de vorige paragraaf gelden de regels over uitstel van betaling voor procedures tegen de terugvordering. Toeslagen verleent ook uitstel van betaling voor de terugvordering wanneer gemotiveerd en tijdig bezwaar is gemaakt tegen de hoogte van de toeslag (de vaststellingsbeschikking).

1.4.2.2 Invloed uitstel op standaardbetalingsregeling

Uitstel van betaling tijdens de behandeling van een bezwaar (of andere procedure) heeft invloed op de standaardbetalingsregeling. Die regeling geldt namelijk voor maximaal 24 maanden vanaf één maand na de dagtekening van de terugvorderingsbeschikking (zie paragraaf 1.4.1.1). Als de belanghebbende geen gelijk krijgt en de terugvordering dus in stand blijft kan hij om een nieuwe regeling van 24 maanden vragen (zie paragraaf 1.4.1.3.) De belanghebbende heeft dan weer de volledige 24 maanden om terug te betalen.

Wordt na de (bezwaar)procedure niet om een nieuwe regeling gevraagd en zijn de oorspronkelijke 24 maanden nog niet voorbij, dan geldt een betalingsregeling voor de resterende maanden. Dit wordt ook wel een Lokale Betalingsregeling (LBT) genoemd.

1.5 Verrekening

Toeslagen is bevoegd tot verrekening van een terugvorderingsbedrag met een aan de belanghebbende uit te betalen (artikel 30, eerste en tweede lid, van de Awir):

  • voorschot of tegemoetkoming (ongeacht toeslagsoort of berekeningsjaar);
  • inkomstenbelasting, premie volksverzekeringen, en belastingrente in een (voorlopige) aanslag IB (alleen als de Belastingdienst de teruggaaf niet kan of wil verrekenen met belastingschulden (artikel 79.5 van de Leidraad Invordering).

De betalingstermijn van 6 weken moet wel eerst verstreken zijn voordat Toeslagen mag verrekenen (artikel 30, derde lid, van de Awir). Dit betekent dat Toeslagen pas kan overgaan tot deze verrekening wanneer de belanghebbende in die 6 weken niet:

  • het hele terugvorderingsbedrag heeft betaald;
  • een eerste termijn voor de standaardbetalingsregeling heeft betaald (zie paragraaf 1.4.1.1).

Het initiatief om te gaan verrekenen ligt meestal bij Toeslagen, maar de belanghebbende kan er ook om verzoeken. Dan kan verrekening ook plaatsvinden voordat de betalingstermijn is verstreken (artikel 79.5 van de Leidraad Invordering).

In de verrekening wordt ook de eventuele rente meegenomen (artikel 30, derde lid, van de Awir). Lees meer over de rentes in paragraaf 1.4.1 van het hoofdstuk ‘Terugvordering’ (heffingsrente) en paragraaf 1.6.4 (invorderingsrente).

Tegen verrekening kan geen bezwaar en beroep ingesteld worden bij de bestuursrechter. In artikel 12, eerste lid, van de Awir staat namelijk dat de hoofdstukken 6 en 7 van de Awb (over bezwaar en beroep) niet van toepassing zijn op de verrekeningsbeschikking zoals bedoeld in artikel 30 van de Awir. Een procedure bij de civiele rechter is wel mogelijk.

In paragraaf 1.5.1 gaan we in op de maatregel ‘Toeslagverrekening zonder kosten’.

Bij de verrekening van voorschotten moet Toeslagen rekening houden met

1.5.1 Toeslagverrekening zonder kosten

Heeft de belanghebbende binnen de betalingstermijn van 6 weken niet (volledig) betaald, is hij geen standaardbetalingsregeling aangegaan en heeft hij niet verzocht om een persoonlijke betalingsregeling, dan kan Toeslagen betaling van de terugvordering bewerkstelligen door middel van de maatregel ‘Toeslagverrekening zonder kosten’ (artikel 79.5c, eerste lid, van de Leidraad Invordering). Toeslagen verrekent dan de terugvordering met een aan de belanghebbende maandelijks uit te keren voorschotbedrag. Toeslagen gaat gedurende het uitvoeren van de ‘Toeslagverrekening zonder kosten’ niet over tot het nemen van aanvullende invorderingsmaatregelen voor de desbetreffende terugvordering (tweede lid).

De belanghebbende kan Toeslagen voor of tijdens de uitvoering van de verrekening verzoeken om deze niet uit te voeren of deze te stoppen (derde lid). Toeslagen kent dit verzoek alleen toe als de belanghebbende het openstaande bedrag van de terugvordering ineens betaalt of om een betalingsregeling vraagt en Toeslagen geen aanleiding heeft om die regeling niet toe te kennen. Tijdens de behandeling van het verzoek wordt de verrekening voortgezet. Als de ‘Toeslagverrekening zonder kosten’ wordt stopgezet, dan wordt deze niet opnieuw opgestart, ongeacht de reden van de stopzetting (vierde lid).

Let op!  Let op

Toeslagen moet voordat het voorschot verrekent kan worden eerst nagaan of de aanvrager daardoor niet onder de beslagvrije voet komt. Lees over de beslagvrije voet in paragraaf 1.5.2

De maatregel ‘Toeslagverrekening zonder kosten’ staat sinds 1 januari 2024 in de Leidraad Invordering. Deze maatregel vervangt sindsdien de betalingsregeling die tot 1 januari 2024 in artikel 7, derde lid, van de UR Awir (wettekst 2023) stond. Die betalingsregeling was onderdeel van de standaardbetalingsregeling. Toeslagen startte deze automatisch wanneer iemand niets betaalde binnen de betalingstermijn van 6 weken. Er werd dan verrekend met ‘periodiek uit te betalen bedragen’, oftewel lopende voorschotten. Het totaal van de lopende voorschotten werd verminderd met ten hoogste € 20. Als de belanghebbende geen lopend voorschot van tenminste dit bedrag per maand had, kon Toeslagen dus niet verrekenen. Had de belanghebbende wél een toereikend voorschot, dan werd het maandelijkse voorschotbedrag door de verrekening lager (of € 0 als het te verrekenen bedrag groter is dan het maandelijkse voorschotbedrag).

De maatregel ‘Toeslagenverrekening zonder kosten’ komt in principe op hetzelfde neer, maar is geen betalingsregeling. En bij deze maatregel moet Toeslagen rekening houden met de beslagvrije voet. Dat gebeurde voorheen bij het automatische verrekenen niet. Het gevolg was dat belanghebbenden onder het bestaansminimum terecht konden komen. Toeslagen stopte daarom met het automatische verrekenen in maart 2021. Dit zorgde ervoor dat belanghebbenden niet meer als gevolg daarvan onder het bestaansminimum terecht konden komen, maar zorgde er ook voor dat er dwanginvorderingsmaatregelen (met bijbehorende invorderingskosten) werden genomen bij belanghebbenden die wel wilden betalen, maar geen actie ondernamen. Er bestond daarom behoefte aan een maatregel die vergelijkbaar was met het automatische verrekenen als onderdeel van de standaardbetalingsregeling, maar waarbij de beslagvrije voet wordt toegepast. Om deze reden is de maatregel ‘Toeslagverrekening zonder kosten’ ontwikkeld. Het doel van de maatregel is om ervoor te zorgen dat belanghebbenden die een terugvordering willen en kunnen betalen maar niet tijdig actie ondernemen, niet worden geconfronteerd met dwanginvorderingsmaatregelen en de daarbij behorende invorderingskosten (Staatscourant 2023, nr. 35664, 29 december 2023, pagina’s 5 en 6).

Toeslagen mag ook buiten de maatregel ‘Toeslagenverrekening zonder kosten’ om verrekenen. En dan niet alleen met voorschotten. Daarover meer in paragraaf 1.5. Lees daar ook waar Toeslagen rekening mee moet houden bij het verrekenen met voorschotten (zoals de beslagvrije voet, paragraaf 1.5.2).

1.5.2 Beslagvrije voet

Toeslagen moet rekening houden met de voor de belanghebbende geldende beslagvrije voet bij verrekening van (artikel 79.5a van de Leidraad Invordering):

  • voorschotten huurtoeslag, zorgtoeslag en kindgebonden budget
  • een voorlopige teruggaaf Inkomstenbelasting 

Voor de voorschotten kinderopvangtoeslag gelden andere regels, die bespreken we in de volgende paragraaf.

De beslagvrije voet is het minimumbedrag dat moet overblijven om van te leven. Hoe hoog de beslagvrije voet is, verschilt per belanghebbende en zijn omstandigheden.

Als de belanghebbende na een verrekening aannemelijk maakt dat er voor hem een andere beslagvrije voet geldt, dan moet Toeslagen rekening houden met die aangepaste beslagvrije voet vanaf de laatste verrekening die plaatsvond vóór de indiening van het verzoek en bij de daaropvolgende verrekeningen (artikel 79.5a van de Leidraad Invordering).

De beslagvrije voet is niet van toepassing bij de verrekening van eenmalige uitbetalingen die plaatsvinden na afloop van het toeslagjaar waar ze betrekking op hebben, zoals een nabetaling naar aanleiding van een definitieve toeslagberekening of een teruggaaf naar aanleiding van de jaarlijkse aangifte inkomstenbelasting. Deze teruggaven kunnen dus altijd verrekend worden.

1.5.3 Verrekening van voorschot kinderopvangtoeslag

Wanneer het voorschot kinderopvangtoeslag gebruikt wordt voor de verrekening en de belanghebbende daardoor niet meer (geheel) de lopende kosten voor kinderopvang kan voldoen, kan hij Toeslagen verzoeken om de verrekening ongedaan te maken (artikel 79.5b van de Leidraad Invordering).

1.6 Wanneer belanghebbende geen betalingsregeling heeft en geen actie onderneemt

Wat als de belanghebbende de terugvordering niet betaalt? En de terugvordering ook niet volledig kan worden betaald door verrekening (zie paragraaf 1.5)? Dan volgt Toeslagen een aantal stappen om te zorgen dat de belanghebbende toch gaat betalen of om uiteindelijk onder dwang het bedrag te innen:

1.6.1 Betalingsherinnering

Als de terugvordering (niet) volledig wordt voldaan, stuurt Toeslagen eerst een schriftelijke betalingsherinnering naar de belanghebbende. Een betalingsherinnering geeft de belanghebbende nog een termijn van 10 dagen na de datum van de herinnering om het bedrag te betalen. Hier zijn geen kosten aan verbonden voor de belanghebbende (artikel 79.1 van de Leidraad Invordering).

1.6.2 Aanmaning

Als de belanghebbende de terugvordering na de betalingsherinnering nog niet betaalt, maant Toeslagen hem schriftelijk aan om alsnog te betalen binnen 2 weken na de dagtekening van de aanmaning (artikel 32, eerste lid, van de Awir). Hier zijn kosten aan verbonden die bij de terugvordering wordt opgeteld. Die kosten zijn te vinden in artikel 2 van de Kostenwet invordering rijksbelastingen (die wet wordt van toepassing verklaard in artikel 34, tweede lid, van de Awir).

Hoewel de aanmaning volgens de Awb een voor bezwaar vatbaar besluit is kan er geen bezwaar tegen worden gemaakt omdat dit is uitgezonderd in artikel 8:4 van de Awb. Lees daarover meer in paragraaf 1.5.1.4 van het hoofdstuk ‘Awb’. Het is wél mogelijk om tegen de aanmaningskosten bezwaar of beroep in te stellen (artikel 7, eerste lid, van de Kostenwet invordering rijksbelastingen). Beroepen hierover worden behandeld door de fiscale rechter in plaats van de bestuursrechter (welke normaal gesproken over toeslagzaken oordeelt).

1.6.3 Dwangbevel

Als de belanghebbende de terugvordering na de herinnering en aanmaning nog steeds niet betaalt, kan Toeslagen een dwangbevel met bevel tot betaling uitvaardigen (artikel 32, tweede lid, van de Awir). Een dwangbevel is een bevel van de overheid om een openstaand bedrag binnen 2 dagen te betalen. Ook aan de betekening van het dwangbevel zijn kosten verbonden. Die kosten zijn afhankelijk van de hoogte van de terugvordering (tot een maximumbedrag). Daarnaast is een dwangbevel een executoriale titel. Dit betekent dat, wanneer een dwangbevel niet binnen 2 dagen betaald wordt, er invorderingsmaatregelen kunnen worden genomen, zoals bijvoorbeeld bankbeslag of een loonvordering.

Bij het dwangbevel kunnen ook de kosten van de aanmaning, de kosten van het dwangbevel zelf en de eventuele verschuldigde renten ingevorderd worden (artikel 32, tweede lid, van de Awir).

De kosten voor het dwangbevel wijzigen jaarlijks en zijn te vinden in artikel 3, eerste lid, van de Kostenwet invordering rijksbelastingen (die wet wordt van toepassing verklaard in artikel 34, tweede lid, van de Awir). Het is mogelijk om tegen die kosten bezwaar en beroep in te stellen, net als bij de aanmaning (lees daarover in de vorige paragraaf).Tegen het dwangbevel zelf is het niet mogelijk om in bezwaar of beroep te gaan (artikel 8:4, eerste lid, onder b van de Awb). Wel is het mogelijk om in verzet te gaan tegen de tenuitvoerlegging van het dwangbevel (zie daarvoor paragraaf 1.6.3.1).

Op het dwangbevel zijn artikelen 13141518 en 18a van de IW van overeenkomstige toepassing (artikel 32, derde en vierde lid, van de Awir). Dit betekent onder andere dat het mogelijk is om een toeslagschuld in te vorderen via een zogenoemde ANPR-actie. ANPR staat voor Automatic Number Plate Recognition. Tijdens zo’n actie worden autobestuurders staande gehouden die een belasting- of toeslagschuld hebben.

1.6.3.1 Verzet tegen dwangbevel

De belanghebbende kan tegen het dwangbevel in verzet komen (artikel 32, vijfde lid, van de Awir). Het verzet moet zich richten tegen de gevolgen van het dwangbevel. Verzet moet worden ingediend bij de rechtbank (artikel 17, eerste lid, van de IW). In een verzetszaak is de belanghebbende ‘eiser’ en Toeslagen de ‘gedaagde’ (tweede lid).

De belanghebbende kan zijn verzet niet baseren op de stelling dat (artikel 17, derde lid, van de IW)

  • hij de terugvorderingsbeschikking, aanmaning of het dwangbevel niet heeft ontvangen, tenzij hij aannemelijk maakt dat aan de ontvangst ervan getwijfeld moet worden;
  • de terugvordering onterecht of te hoog zou zijn.

1.6.3.2 Vordering bij een derde partij (anders dan de belanghebbende)

Toeslagen heeft de optie om een derde te verplichten om de terugvordering te betalen (artikel 32, zesde lid, van de Awir). Het gaat dan om een derde die aan de belanghebbende loon, pensioen, lijfrente of uitkeringen is verschuldigd (dus de werkgever of uitkeringsinstantie). Of een bank waarbij de belanghebbende een tegoed op een rekening heeft.

Artikel 19 van de IW is hierop van toepassing. Dat betekent onder andere dat de vordering op de derde bij beschikking plaatsvindt. Die beschikking moet ook aan de belanghebbende zelf bekendgemaakt worden. Verder moet Toeslagen beschikken over een dwangbevel aan de belanghebbende. De belanghebbende kan tegen de vordering op de derde in verzet komen, net als tegen een dwangbevel. Lees over verzet in paragraaf 1.6.3.1.

De derde is verplicht aan de vordering te voldoen (artikel 19, zevende lid, van de IW). Hij wordt hiervan eerst schriftelijk op de hoogte gesteld en de vordering wordt vervolgens 4 weken na de dagtekening van die vooraankondiging gedaan (artikel 19, negende lid, van de IW en artikel 79.2 van de Leidraad Invordering).

1.6.3.3 Uitvoering door deurwaarder

Mocht het in uitzonderlijke gevallen zover komen (wanneer de belanghebbende niet aan het dwangbevel voldoet én andere invorderingsmiddelen niet slagen), dan kan Toeslagen een deurwaarder inschakelen. De belastingdeurwaarder is bevoegd om deurwaarderswerkzaamheden in opdracht van Toeslagen te verrichten (artikel 34, eerste lid, van de Awir).

1.6.4 Invorderingsrente

Wordt de betalingstermijn van 6 weken overschreden, dan moet er rente betaald worden (artikel 29 van de Awir). Deze rente wordt invorderingsrente genoemd. Er bestaat ook een rente die direct bij de terugvordering wordt opgeteld. Die wordt heffingsrente (of ook wel belastingrente) genoemd. Met ingang van 1 januari 2026 is de heffingsrente afgeschaft. Lees over die rente in paragraaf 1.4.1 van het hoofdstuk ‘Terugvordering’. Invorderingsrente moet betaald worden ongeacht de reden als er na 6 weken wordt terugbetaald. De rente wordt dus ook in rekening gebracht wanneer er uitstel van betaling is vanwege een bezwaarprocedure of omdat gebruik wordt gemaakt van een betalingsregeling (waarover meer in paragrafen 1.4 en 1.4.1).

Op de invorderingsrente zijn artikel 28 en 29 van de IW van toepassing (artikel 29 van de Awir). In deze artikelen staat met name hoe de rente wordt berekend. Voor de berekening van de invorderingsrente zijn, naast de hoogte van de terugvordering, twee elementen van belang:

Met deze gegevens kan de invorderingsrente vervolgens berekend worden: paragraaf 1.6.4.3

1.6.4.1 Tijdvak

De invorderingsrente wordt enkelvoudig berekend over het tijdvak dat begint op de dag na de laatste dag van de betalingstermijn en eindigt op de dag voorafgaand aan die van de betaling (artikel 28, tweede lid, van de IW). We geven een voorbeeld om dit concreet te maken:

Tip!  Voorbeeld

Y krijgt een terugvorderingsbeschikking voor € 200. De dagtekening van die beschikking is 17 februari 2023. De laatste dag van de betalingstermijn is dan 31 maart 2023. Y betaalt uiteindelijk op 1 oktober 2023 de € 200 in één keer terug. Het tijdvak waarover de invorderingsrente wordt berekend is 1 april tot en met 30 september.

1.6.4.2 Rentepercentage

Het percentage van de invorderingsrente wordt in beginsel per kwartaal vastgesteld. Deze wordt bij algemene maatregel van bestuur vastgesteld (artikel 29 van de IW). Die algemene maatregel is het Besluit belasting- en invorderingsrente, waar in artikel 2 het percentage van de invorderingsrente staat.

PeriodePercentage invorderingsrente
 In rekening te brengenTe vergoeden
Tot 23 maart 20204%4%
23 maart 2020 tot 1 juli 20220,01%4%
1 juli 2022 tot 1 januari 20231%4%
1 januari 2023 tot 1 juli 20232%4%
Vanaf 1 juli 20233%4%
Vanaf 1 januari 20244%4%
Vanaf 1 januari 2026 4,3%4,3%

Het percentage invorderingsrente was altijd 4%. Vanwege Covid is het percentage dat in rekening werd gebracht in 2020 tijdelijk verlaagd naar 0,01% met ingang van 23 maart 2020 (zie onderdeel 3.2 en 13 van Staatscourant 2020 nr. 26066 (8 mei 2020)). De verlaging gold eerst voor 3 maanden, maar werd daarna met ingang van 1 juni 2020 verlengd. Toen is ook bepaald dat het rentepercentage voortaan in een algemene maatregel van bestuur wordt vastgelegd (zie Staatsblad 2020, nr. 195, deze stond eerder in de IW zelf). Per 1 juli 2022 werd het percentage stapsgewijs weer verhoogd en per 1 januari 2024 is het weer 4%. Per 1 januari 2026 is het rentepercentage verhoogd tot 4,3%.

Het percentage van de te vergoeden invorderingsrente bleef wel steeds 4%. Tot 2024 bestond artikel 2 van het Besluit belasting- en invorderingsrente (wettekst 2023) daarom uit twee leden; één voor het percentage van de in rekening te brengen invorderingsrente en één voor het percentage van de te vergoeden rente. Per 1 januari 2024 bestaat het artikel niet meer uit verschillende leden en staat er alleen nog het ene percentage van 4% in. Met ingang van 1 januari 2026 is het rentepercentage 4,3%.

1.6.4.3 Berekening

De hoogte van de invorderingsrente wordt als volgt berekend:

A x P x bedrag terugvordering / 36.000
A = tijdvak in aantal dagen P = rentepercentage 

Voor het aantal dagen wordt voor februari altijd uitgegaan van 28 dagen, voor een volle maand van 30 dagen en voor een volledig jaar van 360 dagen. We passen deze formule toe op het voorbeeld uit paragraaf 1.6.4.1:

Tip!  Voorbeeld

A = 6 maanden x 30 = 180 dagen
P = 2%
Invorderingsrente = 180 x 2 x 200 / 36.000 = € 2. 

Binnen het tijdvak kunnen verschillende rentepercentages gelden (zie paragraaf 1.6.4.2). De formule kan dan als volgt uitgebreid worden:

  • bij twee rentepercentages: (A1 x P1 + A2 x P2) x bedrag terugvordering / 36.000
  • bij drie rentepercentages: (A1 x P1 + A2 x P2 + A3 x P3) x bedrag terugvordering / 36.000
  • en zo verder 

Het tijdvak moet dan opgesplitst worden in het aantal dagen waarin ieder percentage geldt. We maken dit concreet met een nieuw voorbeeld:

Tip!  Voorbeeld

De terugvordering bedraagt € 500. Het tijdvak waarover invorderingsrente berekend moet worden is 1 juni 2022 tot 1 februari 2023. In deze periode gelden drie verschillende rentepercentages: 0,01% in juni 2022, 1% van juli 2022 tot januari 2023 en 2% in januari 2023. De hoogte van de invorderingsrente is (30 x 0,01 + 180 x 1 + 30 x 2) x 500 / 36.000 = € 3,34.

1.7 Faillissement en schuldsanering

Invorderingsmaatregelen worden gestaakt en lopende betalingsregelingen beëindigd zodra Toeslagen weet dat voor een belanghebbende faillissement is uitgesproken of de wettelijke schuldsaneringsregeling van toepassing is verklaard (artikel 79.3 van de Leidraad Invordering).

Het gaat hierbij om de wettelijke schuldsaneringsregeling natuurlijke personen (WSNP). Wanneer een natuurlijke persoon (dus niet een onderneming) zijn schulden niet meer betaald of voorziet dat hij ze niet meer kan betalen, kan hij een wettelijke schuldsanering aanvragen. Een rechter moet vervolgens bepalen of de schuldsaneringsregeling van toepassing is. Zo ja, dan benoemt de rechter een bewindvoerder. Tijdens het traject gelden een aantal verplichtingen en moeten de bestaande schulden (zo veel mogelijk) afgelost worden. Wanneer aan alle verplichtingen wordt voldaan krijgt men na afloop van het traject (minimaal na 18 maanden, maximaal na 5 jaar) een zogenoemde ‘schone lei’. Hij is dan bevrijd van zijn schulden.

Er bestaat ook een minnelijke schuldsaneringsregeling voor natuurlijke personen (MSNP). Deze regeling verloopt buiten de rechtbank om en loopt meestal via de gemeente. De schuldeisers werken vrijwillig mee aan de schuldregeling. Wanneer zij niet (meer) meewerken, kan alsnog een beroep op het wettelijke traject van de WSNP worden gedaan. Verderop meer over de MSNP en toeslagschulden in paragraaf 1.7.2.

1.7.1 Verrekening tijdens faillissement of schuldsanering

Tijdens het faillissement of de WSNP worden al bestaande toeslagschulden niet verrekend met voorschotten. Die schulden worden aangemeld bij de curator of bewindvoerder. Eenmalige uitbetalingen (nabetaling van een toeslag of een teruggaaf Inkomstenbelasting) kunnen wél worden verrekend met de aangemelde schulden als die uitbetalingen betrekking hebben op de periode vóór de datum van faillissement of schuldsanering (artikel 79.3 van de Leidraad Invordering).

Als vóór het faillissement, de WSNP of de MSNP al is verrekend met een voorschot (of voorlopige teruggaaf Inkomstenbelasting) waar (ook) termijnen zijn verrekend die in de periode van het faillissement of de schuldsanering zitten, dan moet de verrekening van die termijnen teruggedraaid worden (artikel 79.3 en 79.4 van de Leidraad Invordering). Dit geldt zowel voor verrekening binnen een betalingsregeling als daarbuiten (zie paragrafen 1.5 en 1.5.1).

Deze situatie doet zich met name voor wanneer het hele voorschot in één keer wordt verrekend, vaak in december. Wanneer in december van jaar T het voorschot voor jaar T+1 wordt berekend en toegekend, kan het hele bedrag in één keer worden verrekend met een terugvordering die op dat moment openstaat. Als de aanvrager vervolgens in jaar T+1 in een faillissement of schuldsanering terecht komt, was die verrekening onterecht voor de maanden van na de ingang van het faillissement of de schuldsanering. Dat deel van de verrekening moet dan teruggedraaid worden. Hier hoeft de bewindvoerder niet eerst om te verzoeken. We lichten deze situatie nader toe met een voorbeeld:

Tip!  Voorbeeld

Toeslagen berekent het voorschot huurtoeslag 2026 voor A in december 2025 op € 1.200, dus € 100 per maand. A heeft op dat moment een terugvordering openstaan van € 2.000. Toeslagen verrekent het gehele voorschot van € 1.200 met die terugvordering. De terugvordering wordt hierdoor verlaagd naar € 800. A komt vervolgens op 31 mei 2026 in de WSNP terecht. Toeslagen mag vanaf dan geen voorschotten verrekenen. Toeslagen moet daarom de verrekening voor de periode vanaf 1 juni 2026 (7 maanden) terugdraaien. Dit betekent dat de terugvordering weer € 700 (7 x € 100) hoger wordt en dat in die periode weer iedere maand € 100 wordt uitbetaald.

Bovenstaande is niet van toepassing wanneer het voorschot gedurende het jaar herzien wordt en het maandelijkse voorschot daardoor voor de rest van het jaar lager is. Dit is namelijk geen verrekening met een terugvordering, maar een aanpassing van het voorschotbedrag. Lees over deze situatie meer in paragraaf 1.4.3.2 van het hoofdstuk ‘Voorschotverlening’. We geven er hier ook een voorbeeld van:

Tip!  Voorbeeld

B krijgt in hetzelfde jaar drie voorschotbeschikking voor de huurtoeslag: - in maart: voorschot van € 3.419 (€ 284 per maand) - in mei: voorschot van € 2.148 (€ 179 per maand) - in juni: voorschot van € 2.467 (€ 205 per maand) Op het moment van de derde beschikking heeft B al € 1.599 ontvangen (5 x € 284 en € 179). Toeslagen berekent daarom na de beschikking in juni wat nog voor de rest van het jaar uitbetaald moet worden: € 2.467 - € 1.599 = € 868.  Dit komt neer op nog € 144 per maand in de rest van het jaar. Het maandbedrag wordt dan dus lager, maar niet door verrekening met een openstaande terugvordering. Dit mag dus, ook wanneer B in dat jaar in de WSNP terecht komt.

1.7.2 Minnelijke schuldsanering

Bij een MSNP gelden voor toeslagschulden dezelfde regels als voor belastingschulden (artikel 79.4 van de Leidraad Invordering). Die regels staan in artikelen 73.5 en 73.6 van de Leidraad Invordering. Dit betekent met name dat Toeslagen (onder bepaalde voorwaarden) uitstel van betaling verleent gedurende 18 maanden voor openstaande terugvorderingen. Ook worden eventuele verrekeningen die (deels) zien op de periode nadat de MSNP is ingegaan, teruggedraaid. Lees daarover meer in de vorige paragraaf.

1.7.3 Toeslagschuld ontstaan tijdens faillissement of schuldsanering

Als een toeslagschuld ontstaat tijdens het faillissement, de WSNP of de MSNP, dan gaat Toeslagen in overleg met de curator of bewindvoerder. Kan de toeslagschuld niet uit de boedel betaald worden, dan is aflossing via een standaard- of persoonlijke betalingsregeling mogelijk (lees over die regelingen in paragrafen 1.4.1.1 en 1.4.1.2). Bij een persoonlijke betalingsregeling wordt dan voor het inkomen geen rekening gehouden met een eventueel deel daarvan dat naar de bewindvoerder gaat (artikel 79.3a van de Leidraad Invordering).

1.7.4 Na schuldsanering

Wat gebeurt er met de toeslagschuld nadat de WSNP of MSNP is afgelopen? Hiervoor verwijst artikel 79.3b van de Leidraad Invordering naar de artikelen 73.2.2, 73.2.3, 73.2.4 en 73.5.7. In die artikelen worden verschillende situaties besproken:

1.7.4.1 Met schone lei

Wanneer iemand zich aan alle verplichtingen van de WSNP heeft gehouden, begint hij daarna met een zogenoemde ‘schone lei’. Dit betekent dat terugvorderingen waarop de WSNP van toepassing is en die (deels) onbetaald zijn gebleven, niet meer afbetaald hoeven te worden. Er blijft alleen nog een natuurlijke verbintenis over (artikel 73.2.2 van de Leidraad Invordering). Dat wil zeggen dat de belanghebbende de terugvordering nog wel vrijwillig kan betalen, maar Toeslagen kan dit niet meer afdwingen.

Toeslagen ziet daarnaast af van het innen van terugvorderingen die zijn vastgesteld na de WSNP, maar die wel betrekking hebben op de periode waarin de WSNP gold (artikel 73.2.2 van de Leidraad Invordering).

1.7.4.2 Zonder schone lei

De invordering wordt hervat wanneer de WSNP eindigt zonder schone lei of de reeds verstrekte schone lei is ingetrokken (artikel 73.2.3 van de Leidraad Invordering).

1.7.4.3 Tussentijdse beëindiging WSNP

In bepaalde omstandigheden wordt de WSNP tussentijds beëindigd en omgezet in faillissement. Die omzetting wordt niet gedaan als er geen baten (geld of bezittingen) beschikbaar zijn om de schulden mee te voldoen. In zo’n situatie geldt het invorderingsbeleid dat ook geldt bij opheffing van een faillissement vanwege gebrek aan baten (artikel 73.2.4 van de Leidraad Invordering). Dat invorderingsbeleid houdt in dat de invordering niet hervat wordt. Alleen in bijzondere omstandigheden wordt dit wel gedaan, onder andere wanneer de belanghebbende binnen vijf jaar een meer dan modaal inkomen heeft of een vermogen van substantiële waarde (artikel 73.4.14 van de Leidraad Invordering).

1.7.4.4 Na MSNP

Toeslagen ziet af van het innen van terugvorderingen die zijn vastgesteld na de MSNP, maar die wel betrekking hebben op de periode waarin de MSNP gold (artikel 73.5.7 van de Leidraad Invordering). De belanghebbende moet dan wel hebben voldaan aan zijn verplichting uit de MSNP.

1.8 Verjaring

De terugvordering van een toeslag verjaart vijf jaren nadat de betalingstermijn is verstreken (artikel 4:104, eerste lid, van de Awb). Na die termijn mag Toeslagen niet meer aanmanen, verrekenen en een dwangbevel uitvaardigen en ten uitvoer leggen (tweede lid). Na de vijfjaarstermijn zonder invorderingsactie verjaart de vordering en kan de schuldeiser de vordering niet meer afdwingen. De verjaringstermijn kan worden gestuit. Stuiting betekent dat de lopende verjaringstermijn wordt afgebroken en een nieuwe verjaringstermijn begint (artikel 4:110 van de Awb). Toeslagen kan de verjaring stuiten met een schriftelijke mededeling waarin hij zich ondubbelzinnig beroept op zijn recht op betaling (artikel 32, zevende lid, van de Awir en artikel 27, eerste lid, van de IW). Daarnaast wordt de verjaring ook gestuit door een aanmaning, een dwangbevel, een beschikking tot verrekening of de tenuitvoerlegging van een dwangbevel door beslaglegging of een vordering onder een derde (artikel 4:105 en 4:106 van de Awb) Het stuiten van een verjaring moet worden gedaan voordat de termijn afloopt.